De geschiedenis van de Bijbel

De geschiedenis van de Bijbel

De Bijbel is een fenomenaal relaas van de geschiedenis, bestaande uit 66 afzonderlijke boeken, geschreven over een periode van ongeveer 1600 jaar, door tenminste 40 verschillende auteurs. Het Oude Testament bevat 39 boeken, geschreven tussen ongeveer 1500 en 400 voor Christus, en het Nieuwe Testament bevat 27 boeken, geschreven tussen ongeveer 40 en 90 na Christus. De Joodse Bijbel (Tanakh) is hetzelfde als het Christelijke Oude Testament, met uitzondering van de rangschikking van de boeken. Het oorspronkelijke Oude Testament was voornamelijk geschreven in Hebreeuws, en enkele boeken in Aramees, terwijl het originele Nieuw Testament geschreven werd in alledaags Grieks.

De Bijbel begint met de Joodse Schriftteksten. Het historische verslag van de Joden werd vele eeuwen lang vastgelegd op leren rollen en stenen tafelen, en onder de auteurs waren koningen, herders, profeten en andere leiders. De eerste vijf boeken heten de Wet, welke door Mozes geschreven en/of geredigeerd werden in de vroege jaren na 1400 voor Christus. Daarna, gedurende de volgende 1000 jaar, werden door het Joodse volk andere geschriften geschreven en verzameld. In ongeveer 450 voor Christus werden de Wet en de andere Joodse Schriftteksten samengevoegd door raden van rabbijnen (Joodse leraren), die vervolgens deze complete verzameling erkenden als het door God ingegeven heilige gezag van God (Elohim). Ergens in deze periode werden de boeken van de Hebreeuwse Bijbel gerangschikt naar onderwerp, en zo bevatte deze de Wet (Thora), de Profeten (Nebiim), en de Geschriften (Ketubim). De beginletters van deze Hebreeuwse woorden – T, N en K – vormen samen de naam van de Hebreeuwse Bijbel – the Tanakh.[1]

De Hebreeuwse Bijbel werd al in 250 voor Christus door Joodse geleerden in het Grieks vertaald in Alexandrië, in Egypte. Deze vertaling werd bekend als de “Septuagint”, wat “70” betekent, een verwijzing naar de 70 vertalers (in werkelijkheid waarschijnlijk 72). Tijdens dit vertalingsproces werd de rangschikking van de boeken veranderd tot de rangschikking die we in de tegenwoordige Bijbel hebben: Historisch (Genesis – Esther), Poëtisch (Job – Hooglied), en Profetisch (Jesaja – Maleachi).[2]

Hoewel de Joodse Schriftteksten met de hand werden gekopieerd, waren deze van kopie tot kopie extreem nauwkeurig. De Joden hadden een fenomenaal systeem van kopieerders, die ingewikkelde en rituele methoden ontwikkelden om letters, woorden en paragrafen te tellen om te verzekeren dat geen kopieerfouten werden gemaakt. Deze kopieerders wijdden hun hele leven aan het behouden van de nauwkeurigheid van de heilige boeken. Een enkele kopieerfout vereiste de onmiddellijke vernietiging van de hele rol. De Joodse kopieertraditie werd zelfs in stand gehouden tot de uitvinding van de drukpers in het midden van de 15e eeuw. De recente ontdekking van de Dode Zee-rollen heeft de opmerkelijke betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van het kopieersysteem over duizenden jaren bevestigd.[3] (Ik zal later terugkomen op de Dode Zee-rollen).

Een Bijbelse stilte van ongeveer 400 jaar wordt vervolgens doorbroken door de komst van Jezus in ongeveer 4 voor Christus. Door al zijn lessen heen citeert Jezus vaak het Oude Testament, verklarend dat hij niet is gekomen om de Joodse Schriftteksten te vernietigen, maar om deze te vervullen. In het boek van Lucas verklaart Jezus tegen zijn discipelen: “…heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.”[4]

Beginnend in ongeveer 40 na Christus tot ongeveer 90 na Christus, schreven de ooggetuigen van het leven van Jezus de Evangelieboeken, de brieven en boeken die het Nieuwe Testament van de Bijbel zouden vormen, waaronder Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes, Paulus, Jakobus, Petrus en Judas. Deze auteurs citeerden 31 boeken uit het Oude Testament, en verspreidden hun materiaal op dusdanige manier dat tegen 150 na Christus de vroege Christenen deze complete verzameling geschriften het “Nieuwe Verbond” noemden. In de 3e eeuw na Christus werden de originele geschriften vertaald van het Grieks in het Latijn, Koptisch (Egypte) en Syrisch (Syrië), en wijd verspreid door het Romeinse Rijk (en daarbuiten) als de “door God ingegeven geschriften”.[5] In 397 na Christus werden de 27 boeken van het Nieuwe Testament formeel bevestigd en “gecanoniseerd” in de Synode van Carthago.[6]

Lees nu verder!