Vervulde Bijbelse voorspellingen

Vervulde Bijbelse voorspellingen

Ik begon een notitieboekje bij te houden en zocht naar “vervulde Bijbelse voorspellingen” in de geschiedenis…

De verordening van Cyrus

Rond 700 voor Christus noemt Jesaja Cyrus als de koning die alle Israëlieten zal laten terugkeren naar Jeruzalem en hen toestemming zal geven om de tempel te herbouwen.[1] Ten tijde van deze voorspelling was er geen koning met de naam Cyrus en de tempel in Jeruzalem was volledig intact en in werking.

In 586 voor Christus, meer dan 100 jaar later, werd Jeruzalem door de Babylonische Koning Nebukadnessar geplunderd en wordt de tempel vernietigd. De Joden die in Jeruzalem leefden, en die niet werden gedood, werden als gevangenen meegenomen naar Babylon.[2] Rond 539 voor Christus wordt het Babylonische Rijk veroverd door de Perzen. Kort daarna vaardigt een koning genaamd Cyrus een formele verordening uit, die de Joden toestaat om terug te keren naar Jeruzalem en om hun tempel te herbouwen.[3] Deze verordening is bevestigd door de seculiere archeologie in de vorm van een stenen cilinder die vele gebeurtenissen tijdens de heerschappij van Cyrus in detail beschrijft, waaronder de verordening met betrekking tot de wederopbouw van de Tempel in Jeruzalem.[4]

Het is opmerkelijk dat Jesaja voorspelt dat een man genaamd Cyrus, die ongeveer honderd jaar later geboren zou worden, een verordening zou uitvaardigen om een stad en een tempel opnieuw op te bouwen, die in die tijd nog intact en volledig in werking waren!

Ik moest hier meer over zien te vinden…!

De stad Tyrus

In 586 voor Christus (door seculiere bronnen bevestigd als het 11e jaar van de heerschappij van koning Sedekia van Judea) voorspelt Ezechiël de nederlaag van de stad Tyrus op het vasteland tegen de Babylonische legers van Nebukadnessar.[5] De tekst beschrijft voorts de belegering van de eilandstad Tyrus (ongeveer driekwart kilometer van de kust van de stad Tyrus op het vasteland) honderden jaren later. Ezechiëls voorspelling beschrijft hoe de toekomstige invallers de ruïnes van de stad op het vasteland zouden afbreken en deze in de zee zouden gooien. Zij zouden “zelfs het stof uit Tyrus wegvegen en van haar een kale rots maken”[6] “Alle stenen, al het houtwerk en alle puin verdwijnen in zee.” “Ik maak een kale rots van je, een droogplaats voor netten…”[7]

Seculiere bronnen vermelden dat Nebukadnessar de grote stad Tyrus op het vasteland ongeveer een jaar na Ezechiëls voorspelling belegerde. De Encyclopedia Britannica zegt: “Na een 13-jarige belegering (585-573 voor Christus) door Nebukadnessar II, geeft Tyrus zich over en erkent het Babylonische gezag.”[8] Toen Nebukadnessar door de stadspoorten brak, vond hij het bijna compleet verlaten. De meeste mensen waren per schip verhuisd naar een eiland dat ongeveer driekwart kilometer van de kust lag, en zij versterkten de daarop gelegen stad. De stad op het vasteland werd in 573 voor Christus verwoest (Ezechiëls eerste voorspelling), maar de stad Tyrus op het eiland bleef nog honderden jaren lang een machtige stad.

De seculiere geschiedenis beschrijft vervolgens hoe Alexander de Grote de eilandvesting belegert in 332 voor Christus. Zijn leger vernietigde de resten van de stad Tyrus op het vasteland en wierp deze in de Middellandse Zee. Op deze manier bouwde Alexanders leger een dijk naar het eiland, ze schraapten zelfs het stof uit de stad op het vasteland en lieten daarbij niets achter dan een kale rots. De historicus Phillip Myers schrijft in zijn historische tekstboek “General History for Colleges and High Schools” (“Algemene geschiedenis voor universiteiten en middelbare scholen”) het volgende:

Alexander de Grote reduceerde Tyrus in 332 voor Christus tot een ruïne. Tot op zekere hoogte herstelde Tyrus van deze slag, maar de stad herwon nooit de plaats die zij voorheen in de wereld had ingenomen. Het grootste gedeelte van de locatie van deze ooit machtige stad is nu zo kaal als de top van een rots; een plaats waar de vissers, die er nog steeds regelmatig terugkomen, hun netten te drogen leggen.[9]

Wauw, dit was dramatisch zeg – ik had er geen idee van ….

De stad Samaria

De profeten Hosea (748 en 690 voor Christus) en Micha (738-690 voor Christus) voorspelden beiden de vernietiging van Samaria, de hoofdstad van het noordelijke koninkrijk van Israël. Niet alleen voorspelden deze profeten geweld en vernietiging, maar zij verklaarden ook dat deze machtige stad “als een hoop in het veld” zou worden, zijn stenen omlaag gestort in de vallei, de fonteinen verwijderd en wijngaarden geplant waar de stadsmuren ooit stonden.[10]

De geschiedenis vertelt ons dat Samaria in 722 voor Christus door Sargon met geweld werd veroverd. In 331 voor Christus nam Alexander de stad met geweld in, net als Hyrcanus in 120 voor Christus. Wat opmerkelijk is, is niet de gewelddadige ondergang van Samaria en zijn volk, maar veeleer de historische details van de ondergang van deze ooit zo machtige stad.

Reacties op het bezoeken van die oude locatie zijn door de eeuwen heen neergepend. In 1697 verklaarde Henry Maundrel: “Deze machtige stad is nu in zijn geheel omgevormd tot tuinen, en alle tekenen die er nog op duiden dat er ooit zo’n stad is geweest bevinden zich aan de Noordzijde…” Floyd Hamilton gaat verder: “Vandaag de dag is de heuveltop waarop Samaria gelegen was een bewerkt veld, waarop de funderingen van de kolommen de plaatsen markeren waar ooit de paleizen en de landhuizen stonden. Aan de voet van de heuvel, in de vallei, liggen de funderingsstenen van de stad…”[11] En tenslotte, van Van de Velde:

Zijn funderingen ontdekt, zijn straten omgeploegd, en bedekt met maïsvelden en olijfgaarden… Samaria is vernietigd, maar zijn brokstukken zijn in de vallei omlaag geworpen; zijn funderingsstenen, die grijze oude vierhoekige stenen uit de tijd van Omri en Ahab, zijn ontdekt en liggen verspreid aan de voet van de heuvel.[12]

Ik las voorspelling na voorspelling…

Ik las ze aandachtig en liet ze tot me doordringen…

Ik maakte aantekeningen en verzamelde uittreksels en artikelen…

Ik was gefascineerd door de waarschijnlijkheden….

Lees nu verder!

[1] Jesaja 44:28; 54:1.
[2] McDowell, Evidence that Demands a Verdict, vol. 2, 346.
[3] 2 Kronieken 36:22-23.
[4] McDowell, Evidence that Demands a Verdict, vol. 2, 347.
[5] Ezechiël 26.
[6] Ezechiël 26:4.
[7] Ezechiël 26:12, 14.
[8] 43/xxii 452.
[9] Phillip Myers, General History for Colleges and High Schools, Boston, Ginn & Co., 2003, 55.
[10] Hosea 13:16 en Micha 1:6.
[11] McDowell, Evidence that Demands a Verdict, vol. 1, 282.
[12] Idem., 283.