Plinius de Jongere

Plinius de Jongere

Plinius de Jongere (ca. 62 - ca. 113 na Christus) was de Romeinse gouverneur van Bithynië (het noordwestelijke deel van het tegenwoordige Turkije). Rond 111 of 112 na Christus schreef hij de volgende brief aan keizer Trajanus van Rome, waarin hij advies vroeg over hoe met de Christenen om te gaan.

Het is voor mij gebruikelijk, heer, om alles waarover ik twijfel aan u voor te leggen. Wie immers kan beter richting geven aan mijn besluiteloosheid of mijn onwetendheid onderrichten? Gerechtelijke processen tegen de Christenen heb ik nooit bijgewoond, daarom weet ik niet wat en in hoeverre men de gewoonte heeft te straffen of te onderzoeken. Ook heb ik nogal ernstig getwijfeld of er onderscheid in leeftijd moet zijn, of dat mensen, hoe jong ook, in niets moeten verschillen van volwassenen; [ik heb getwijfeld] of er genade gegeven moet worden aan berouwvollen, of dat het voor iemand die eenmaal Christen is geweest voordelig is ermee opgehouden te zijn; ik heb getwijfeld of de naam alleen al bestraft moet worden, zelfs als er geen misdaden zijn begaan, of dat de misdaden, die samenhangen met de naam, moeten worden bestraft.

Ondertussen heb ik de volgende procedure gevolgd bij hen, die bij mij als Christenen waren aangegeven. Ik vroeg hen persoonlijk of ze Christenen waren. Degenen die bekenden, ondervroeg ik een tweede en een derde keer en dreigde met de doodstraf: ik beval de terechtstelling van degenen die volhardden. Ik twijfelde er namelijk niet aan dat halsstarrigheid en onbuigzame koppigheid in elk geval bestraft moesten worden, ongeacht wat zij bekenden. Er waren anderen, van gelijke dwaasheid, waarvan ik, omdat het Romeinse burgers waren, heb laten registreren dat ze naar de stad (Rome) teruggestuurd moesten worden.

Snel daarna, juist door het in behandeling nemen, zoals pleegt te gebeuren, deden zich meer bijzondere gevallen voor, omdat de misdaad zich verspreidde. Er is een anonieme aanklacht ingediend, die de namen van velen bevatte. Ik was van mening dat diegenen vrijgelaten moesten worden, die ontkenden dat ze Christenen waren of waren geweest, toen ze, terwijl ik de gebedsformule voorzei, de goden aanriepen en tot uw beeld, dat ik voor dit doel bevolen had hierheen te brengen samen met de godenbeelden, baden met wierook en wijn en bovendien Christus vervloekten, tot niets waarvan, naar men zegt dat zij die Christenen zijn, gedwongen kunnen worden. Anderen die door de aanklager genoemd waren, zeiden dat ze Christen waren en ontkenden het kort daarop; dat ze weliswaar Christen waren geweest, maar dat ze gestopt waren, sommigen drie jaar geleden, sommigen meerdere jaren geleden, enkelen zelfs twintig jaar geleden. Ook dezen hebben allemaal uw beeld en de beelden van de goden vereerd en Christus vervloekt.

Ze verzekerden mij echter dat dit de hoofdzaak was geweest, ofwel van hun schuld, ofwel van hun fout dat ze gewoon waren op een bepaalde dag voor zonsopgang samen te komen en om met elkaar om beurten een lied voor Christus als voor een god te zeggen, en zich door een eed te verplichten tot geen enkele misdaad, opdat ze geen diefstallen, geen roofovervallen, geen echtbreuk, geen woordbreuk zouden plegen en zich niet aan een schuld zouden onttrekken, wanneer ze worden aangemaand [die te betalen]. Nadat ze dit hadden gedaan, was het voor hen de gewoonte geweest om uit elkaar te gaan en weer samen te komen om te eten, echter normaal en onschuldig. En dat ze waren opgehouden met juist dit te doen, na mijn edict, waarin ik volgens uw bevelen verboden had dat er geheime genootschappen waren. Des te meer geloofde ik dat het noodzakelijk was om van twee slavinnen, die helpsters bij de eredienst werden genoemd, te vernemen wat waar was, en wel onder martelingen. Ik vond niets anders dan een slechte en grenzeloze bijgelovigheid.

Nadat het proces was uitgesteld, ben ik er daarom toe overgegaan, om u te raadplegen. Want de zaak scheen mij het advies waard, vooral vanwege het aantal aangeklaagden. Velen immers van elke leeftijd, van iedere stand, en van beide geslachten worden aangeklaagd en zullen worden aangeklaagd. De besmetting van dit bijgeloof heeft zich echter niet alleen over steden verspreid, maar ook over dorpen en het platteland en het schijnt tot staan gebracht en gecorrigeerd te kunnen worden. Het staat in ieder geval vast dat tempels die al bijna verlaten waren, nu bezocht worden en dat plechtigheden, die lange tijd onderbroken waren, in ere hersteld worden en dat overal vlees van offerdieren wordt verkocht, waarvoor voorheen zeer zelden een koper gevonden werd. Op grond hiervan is het gemakkelijk te concluderen, wat een menigte mensen op betere gedachten zou kunnen worden gebracht als er gelegenheid zou zijn voor het tonen van berouw.[1]

Dat is nogal een brief die uit de oudheid bewaard is gebleven. Ik heb er hier een groot gedeelte van overgenomen, omdat ik deze tekst in zijn geheel zo krachtig vond. Deze brief van Plinius de Jongere verhaalt over de verspreiding van het Christendom door het Romeinse Rijk en behandelt de procedures om de volgelingen uit dit “bijgeloof” te vervolgen. Christus wordt ook drie keer bij naam genoemd als het centrum van het Christendom en Christelijke praktijken worden beschreven, waaronder het aanbidden van Christus “als voor een God”.

Lees nu verder!

[1] Plinius Secundus, Epistles, X.96.