Het fossielenbestand

Het fossielenbestand – Zijn er “tussenvormen”?

Laten we eerst enkele van Darwins bijzonder eerlijke verklaringen bekijken:

Ten eerste, als soorten afstammen van andere soorten middels onwaarneembaar kleine veranderingen, waarom is het dan niet zo dat we overal talrijke tussenvormen zien? Waarom is de natuur niet compleet in de war in plaats van de duidelijk gedefinieerde soorten, zoals we ze zien?[1]

Maar, als volgens deze theorie talrijke tussenvormen moeten hebben bestaan, waarom vinden we deze dan niet in ontelbare hoeveelheden ingebed in de korst van de aarde?[2]

Tenslotte, wanneer we niet naar een bepaald tijdperk kijken, maar naar alle tijdperken, als mijn theorie waar is, dan moeten ontelbare intermediaire variëteiten, die alle soorten van dezelfde groep verbinden, zeker hebben bestaan.[3]

Waarom is dan niet elke geologische formatie en elk geologisch stratum gevuld met zulke tussenvormen? De geologie toont zo’n geleidelijk ontwikkelde organische keten zeker niet; en dit is misschien wel het duidelijkste en ernstigste bezwaar dat tegen mijn theorie kan worden ingebracht.[4]

Sinds Darwin zijn oorspronkelijke theorie heeft voortgebracht, hebben wetenschappers gezocht naar fossiele bewijzen die wijzen op organische overgangen. Bijna 150 jaar later is er nog steeds geen bewijs voor fossiele overgangsvormen gevonden in het fossielenbestand. In Darwins eigen woorden, als zijn theorie van “macro-evolutie” waar zou zijn, dan zouden we een enorm aantal fossielen in overgangsvormen van biologische ontwikkeling moeten zien. Sterker nog, gebaseerd op standaard wiskundige modellen, zouden we veel meer tussenvormen in biologische ontwikkeling moeten vinden dan complete exemplaren. En toch zien we er géén – geen enkel echt overgangsexemplaar is ooit gevonden.

Onze musea bevatten tegenwoordig honderden miljoenen fossielen (waarvan 40 miljoen alleen al in het Smithsonian Natural History Museum). Als Darwins theorie waar zou zijn, dan zouden we op zijn minst tientallen miljoenen onbetwistbare overgangsvormen moeten zien. We zien er geen enkele. Zelfs wijlen Stephen Jay Gould, Professor in Geologie en Paleontologie aan Harvard University en vooraanstaand woordvoerder van de evolutietheorie tot aan zijn recente overlijden, bekende dat “de extreme zeldzaamheid in het fossielenbestand stand houdt als het beroepsgeheim van de paleontologie.”[5]

Hij gaat verder:

De geschiedenis van de meeste fossiele soorten bevat twee kenmerken die niet overeenstemmen met gradualisme: 1. Stasis. De meeste soorten tonen geen veranderingen in een bepaalde richting gedurende hun bestaan op aarde. Ze verschijnen in het fossielenbestand zichtbaar ongeveer hetzelfde als wanneer ze verdwijnen… 2. Plotselinge verschijning. In elk plaatselijk gebied is het zo dat een soort niet geleidelijk opkomt door een gestage transformatie van zijn voorouders; de soort verschijnt ineens en ‘compleet gevormd’.[6] De evolutionaire bomen die onze tekstboeken versieren hebben alleen data aan de uiteinden en de knooppunten van hun takken; de rest is gevolgtrekking, hoe redelijk dan ook, niet het bewijs van fossielen.[7]

Wacht! Ik moet dit nader verklaard hebben! Zijn er enkele overgangsvormen, of geen enkele? Als Gould gebruik maakte van termen als “extreme zeldzaamheid” en “de meeste soorten tonen geen veranderingen in een bepaalde richting” wanneer hij spreekt over het fossielenbestand, dat moet dan toch betekenen dat er toch op zijn minst enkele overgangsvormen zijn. Nietwaar?

Volgende pagina!

[1] Darwin, Origin of Species, 143
[2] Idem, 144.
[3] Idem, 149.
[4] Idem, 230.
[5] Natural History 86(5), 1977, 14.
[6] Idem, 13.
[7] Gould, "Evolution's Erratic Pace", Natural History, Vol. 5, 1977.