Flavius Josephus

Flavius Josephus

Flavius Josephus (37-100 na Christus), een Joods generaal en een lid van de priesterlijke aristocratie van de Joden, liep over naar het Romeinse Rijk tijdens de grote Joodse opstand van 66-70 na Christus. Josephus wijdde de rest van zijn leven in of nabij Rome als een adviseur en historicus voor drie keizers, Vespasianus, Titus en Domitianus. Eeuwenlang werden de boeken van Josephus meer gelezen dan enig ander boek, met uitzondering van de Bijbel. Zij zijn bronnen van onschatbare waarde voor ooggetuigenverslagen van de ontwikkeling van de Westerse beschaving, inclusief de oprichting en de groei van het Christendom in de 1e eeuw.

Het is opmerkelijker dat Josephus in zijn werk gebeurtenissen en mensen uit het Nieuwe Testament noemt. Voor mij was dit één van de meest significante bewijzen met betrekking tot de “legende theorieën” die mijn kijk op het vroege Christendom hadden geplaagd. Hier zijn enkele passages die ik fascinerend vond:

Te dien tijde was er een zeker wijs man die Jezus werd genoemd. En zijn gedrag was goed, en hij stond bekend als deugdzaam. En vele mensen onder de Joden en andere volken werden zijn discipelen. Pilatus veroordeelde hem tot de kruisiging en de dood. En zij die zijn discipelen waren geworden verlieten hem na zijn dood niet; zij verklaarden dat hij drie dagen na zijn kruisiging aan hen verschenen was en dat hij leefde; zodoende is hij misschien de Messias over wie de profeten wonderlijke dingen voorzegd hadden.[1]

***

Na de dood van de procurator Festus, toen Albinus op het punt stond hem op te volgen, achtte de hogepriester Ananias het een geschikte gelegenheid om de Sanhedrin bij elkaar te roepen. Hij deed daarom Jakobus de broer van Jezus, die de Christus werd genoemd, en verscheidene anderen, voor zijn haastig bijeengeroepen raad verschijnen, en hij veroordeelde hen tot de dood door steniging. Alle wijze mannen en strenge volgelingen van de Wet die in Jeruzalem waren spraken hun afkeuring uit over deze daad. Sommigen gingen zelfs naar Albinus zelf, die vertrokken was naar Alexandrië, om deze inbreuk op de wet onder zijn aandacht te brengen en om hem te informeren dat Ananias illegaal gehandeld had door hete Sanhedrin bijeen te roepen zonder de Romeinse autoriteiten.[2]

***

Nu dachten sommige Joden dat de vernietiging van Herodes’ leger door God kwam, en zeer terecht, als een straf voor wat hij met Johannes had gedaan, hij die de Doper werd genoemd; want Herodes bracht hem om, hij die een goed man was, en die de Joden beval om deugdzaamheid uit te oefenen, zowel wat betreft rechtvaardigheid jegens elkaar als wat betreft vroomheid jegens God, en die dus kwam om te dopen; omdat het wassen [met water] acceptabel voor hem zou zijn, als zij er gebruik van zouden maken, niet om sommige zonden [alleen] te doen verdwijnen [of vergeven], maar voor het reinigen van het lichaam; daarbij aannemend dat de ziel daarvoor al voldoende gereinigd was door deugdzaamheid.[3]

Deze drie citaten van Josephus spreken echt voor zichzelf! Professor Shlomo Pines, een zeer bekend Israëlisch schriftgeleerde, bespreekt de historiciteit van Jezus en de vermeldingen van Jezus door Josephus:

Feitelijk, voor zover het om waarschijnlijkheden gaat, zou geen enkele gelovige Christen zo’n neutrale tekst hebben geproduceerd: voor hem zou het enige significante doel ervan het attesteren van het historische bewijs voor Jezus zijn geweest. Maar het is een feit dat tot in moderne tijden deze bepaalde gedachte (de bewering dat Jezus bedriegerij is) nooit werd geuit. Zelfs de bitterste opponenten van het Christendom hebben nooit enige twijfel geuit over de vraag of Jezus werkelijk geleefd heeft.[4]

Lees nu verder!

[1] Joodse Oudheden, Boek 18, Hoofdstuk 3, paragraaf 3 (vertaald uit een 4e eeuws Arabisch manuscript). Een nog fenomenalere Griekse versie van deze tekst bestaat, waarvan vele geleerden verklaren dat er in nogal wat plaatsen aan “gesleuteld” is. Desalniettemin werd deze versie al in 325 na Christus geciteerd:

Te dien tijde was er een zekere Jezus, een wijs mens, indien men hem althans een mens noemen mag; want zijn werken waren wonderbaar. Hij onderwees degenen, die graag in de waarheid onderricht wilden worden, hij werd gevolgd niet alleen door vele Joden, maar ook door vele heidenen. Deze was de Christus, die door de oversten van ons volk bij Pilatus aangeklaagd en op zijn bevel gekruisigd werd. Doch die hem bij zijn leven gevolgd hadden, verlieten hem na zijn dood niet; want hij is hun ten derden dage weer levend verschenen, gelijk de goddelijke profeten, onder meer andere wonderlijke dingen, van hem voorzegd hadden. Aan hem is het dat de christenen, die tegenwoordig nog bestaan, hun naam ontleend hebben.

[2] Joodse Oudheden, Boek 20, hoofdstuk 9, paragraaf 1.
[3] Joodse Oudheden, Boek 18, hoofdstuk 5, paragraaf 2.
[4] Shlomo Pines, An Arabic Version of the Testamonium Flavianum and its Implications, Jerusalem Academic Press, 1971, 69. Zie ook,
http://www.blueletterbible.org/Comm/mark_eastman/messiah/
sfm_ap2.html#note6b.