De schepping van het leven

De schepping van leven - een laatste "experiment"

Het is opmerkelijk dat juist voordat ik dit hoofdstuk afmaakte, een vriend mij confronteerde met het bewijs dat men leven had geschapen in een “willekeurig” laboratorium-experiment. Na enige discussie realiseerde ik mij dat mijn vriend de “vonk en soep” experimenten uit de jaren '50 bedoelde, toen mannen als Harold Urey en Stanley Miller mengsels van kokend water, ammonia, methaan en waterstof door ingewikkelde “elektrische vonkensystemen” van bekers en reageerbuizen leidden. In die experimenten was men in staat om sporen te produceren van één of twee aminozuren – de “bouwstenen” van leven – en deze werden daarom door de media gehuldigd als bewijs voor de mogelijkheid van spontane generatie op een prebiotische aarde.[1]

Deze “ontworpen” experimenten hadden echter te kampen met vele onvermelde problemen. Het grootste probleem was dat de belangrijkste bijprodukten van deze soepen bestonden uit teer (85%) en carbonzuren (13%), die beide giftig zijn voor levende systemen. Afgezien van alle andere problemen, is het produceren van een spoor aminozuur in een laboratorium-experiment hetzelfde als het produceren van een baksteen om vervolgens te verklaren dat we daarmee hebben ontdekt hoe we op een willekeurige manier een wolkenkrabber in New York kunnen ontwerpen en bouwen.

Nadat we het wetenschappelijk materiaal wat uitvoeriger hadden besproken, wendde ik mij tot mijn vriend en besloot ik hem een aardige, levendige illustratie voor te leggen…

“Neem een kikker en stop deze in een mixer. Laat de mixer nu zeven minuten draaien, of totdat de kikker is opgeklopt tot een schuimende brei.”

Hij keek me toch aan met zo’n blik….

“Giet het mengsel in een open doos en zet de doos een paar miljoen jaar in de zon.. Na een paar miljoen jaar pak je de doos op en bekijk je de inhoud…”

Ik knikte en vroeg hem: “Heb je nu een kikker?”

Hij hoefde maar een seconde na te denken…

“Nee, je hebt nog steeds kikkersoep,” lachte hij.

“Zo is het precies,” was ik met hem eens. “Hoe kun je nu iets anders hebben dan een soepachtige mix die de bouwstenen van kikkerleven bevat? Zonder informatie die het allemaal aan elkaar kan breien, heb je niks dat lijkt op een onafhankelijk organisme.”

In deze simpele illustratie zorgde ik voor de aanwezigheid van alle benodigdheden om een kikker te maken. Ik zorgde voor elk chemisch element, aminozuur, proteïne en molecule waaruit de organische structuur van de kikker bestaat. Maar toch, als ik deze illustratie in de context plaats van een “prebiotische soep” op een primitieve aarde, dan zouden we van geluk mogen spreken als zich ook maar een spoorelement of aminozuur zou ontwikkelen over eenzelfde periode – laat staan de biologische componenten van een complete kikker!

Volgende pagina!

[1] Zie Harold C. Urey, The Planets, Their Origin and Development, Yale University Press, 1952; en Stanley Miller, Science, vol. 117, 1953, 528-529.